button layar2

Dit hunebed werd voor het eerst opgetekend in 1833 door C.J.C. Reuvens, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Jaren later, in 1847, werd de grafkelder nog getekend en bestudeerd door L.J.F. Janssen. Volgens zijn informatie was het hunebed opgebouwd uit vijf paar zijstenen en bezat de kelder een lengte van 12 m en een breedte van 2,5 m. Toen Van Giffen in 1920 opmerkzaam werd gemaakt op dit hunebed was er niet veel meer van over dan een kratervormige heuvel met gruis en brokken steen. Volgens de vinder was het in de jaren '70 van de 19de eeuw door keiendelvers gesloopt. In augustus 1920 stelde Van Giffen een onderzoek in. In het centrum van de heuvel trof hij alleen nog een ovale kuil aan waar de kelder had gelegen (afmetingen 7,1 x 2 m). Van de afzonderlijke standsporen was te weinig bewaard gebleven om hier conclusies uit te kunnen trekken.
Op grond van de door Van Giffen opgetekende standkuil rijst de vraag of dit wel hetzelfde hunebed is als door Janssen is opgetekend. Daarvoor lopen de maten teveel uiteen. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat D35a niet het hunebed is dat door Janssen is beschreven, moet er ook rekening mee worden gehouden dat de omvang van de standkuil foutief is geïnterpreteerd door Van Giffen.