button layar2

De plaats van dit (vermoedelijke) hunebed werd eind 1966 ontdekt, alweer door J.E. Musch en alweer dankzij een steengruisplek in een akker. De vinder liet zich bij zijn speurwerk onder meer leiden door de vermelding van Ludolph Smids uit 1711 van een steenhoop te Onnen 'van gemeen­en trant' en het locale toponiem 'Steenbergerveen'. In 2011 en 2012 is er actief gezocht naar de locatie van dit monument maar tot op heden is deze nog niet vastgesteld.

  Zoektocht naar verdwenen hunebed G4 nog niet ten einde

Op instigatie van de Groninger provinciaal archeoloog Henny Groenendijk is in 2011 in Onnen een begin gemaakt met een actieve zoektocht naar de plek waar het vermoede hunebed G4 gestaan heeft. De zoektocht begon met grondradaronderzoek, uitgevoerd door de firma Medusa. Op basis van het radaronderzoek is in 2012 een locatie uitgekozen die zeer veelbelovend leek om door gravend onderzoek nader bekeken te worden. In 2012 heeft die kleinschalige opgraving plaatsgevonden door archeologen van archeologisch adviesbureau RAAP, vestiging Noord. De hoop om een gedeelte van de granietgruisvloer en enkele extractiegaten te vinden bleek ijdel. Er werd niets aangetroffen dat op de aanwezigheid van een hunebed op deze plaats wijst. De zoektocht wordt niet gestaakt maar er zal verder worden gezocht in de nadere omgeving. Lees het verslag van Esther Scheele hieronder.

  De zoektocht naar G4

Hunebedden zijn één van de weinige categorieën archeologische monumenten die ook tegenwoordig nog met het blote oog in het Nederlandse landschap te herkennen zijn. Door hun herkenbaarheid spreken ze al eeuwen tot de verbeelding der mensen. Tot in de 17e eeuw geloofde men dat deze 'steenhopen' alleen door reuzen konden zijn opgericht (fig. 1). Tegenwoordig is bekend dat deze bouwwerken de restanten zijn van prehistorische grafmonumenten. Nederland telt nog 53 hunebed ruïnes op hun oorspronkelijke locatie, waarvan er één in de provincie Groningen staat en de andere 52 in de provincie Drenthe. Daarnaast zijn er nog 27 locaties bekend waar ooit een hunebed gestaan heeft, maar dat nu niet meer op deze plek te zien is, hiervan liggen er vier in Groningen, twintig in Drenthe, twee in Overijssel en één in Friesland.

picardt-300x180

fig. 1: Picardt's voorstelling over het
ontstaan van de hunebedden

  Vooronderzoek

In de provincie Groningen is nog één bestaand hunebed te vinden, dit monument met de naam 'de Steenbarg' ligt bij Noordlaren. Daarnaast zijn er vijf verdwenen hunebedden bekend, de locaties van de hunebedden G2 en G3 liggen op de Glimmer es in Haren en G5 werd in 1982 bij opgravingen door het Groninger Instituut voor Archeologie onder de wierde Heveskesklooster in Oosterhoek ontdekt. Dit hunebed is afgebroken en is tegenwoordig als reconstructie te zien in het museum in Delfzijl. De eveneens uit Heveskesklooster afkomstige steenkist met de aanduiding G6 is gereconstrueerd in het Hunebedcentrum in Borger. Het zesde Groninger hunebed – G4 – wordt wel in de literatuur vermeld, maar de daadwerkelijke locatie staat nog steeds niet onomstotelijk vast.

In 1966 werd de vermoedelijke locatie van G4 ontdekt door J.E. Musch, op basis van de de eveneens in de nabijheid liggende (inmiddels geverifieerde) resten van G2 en G3 (onderzocht in 1969-1971). In combinatie met een vermelding van Ludolf Smid uit 1711 van 'eene steenhoop van gemeenen trant' bij Onnen (fig. 2) en aanduidingen als 'Steenakker' voor de directe omgeving van het hunebed en 'Steenbergen' en 'Steenbergerveen' (een nabijgelegen pingo veentje) in de nabijheid, leidden tot de ontdekking van een granietgruisplek op het meest in aanmerking komende terrein op de Onner es. Na het ploegen van het veld in het voorjaar van 1968 tekende de granietgruisplek zich nog duidelijker af en trof Musch ook vuurstenen artefacten aan. De collectie door hem getekende artefacten omvat onder andere een transversale pijlspits, een splinter van een vuurstenen bijl en diverse scherven uit verschillende fasen van deTRB-cultuur. Hierdoor is het waarschijnlijker dat het op deze locatie gaat om een hunebed met een grotere tijdsdiepte dan om een steenkist met een korte gebruiksperiode. Bij het onderzoek aan de locatie van de hunebedden G2 en G3, werd in beide hunebedden Middeleeuws kogelpot aardewerk aangetroffen. Op basis van het type kon dit aardewerk gedateerd worden op 1000-1100 AD en staat hoogstwaarschijnlijk in verbinding met het ontmantelen der beide hunebedden. De in de stad Groningen staande St. Walburgkerk is omstreeks 1050 gebouwd en in de vloer van het kerkschip bevinden zich vele veldkeien van diverse formaten, onder andere ook stenen die groot genoeg zijn om als deksteen van een hunebed dienst te doen. Het is goed mogelijk dat G4 hetzelfde lot heeft ondergaan als de andere beide grafmonumenten.

De module 'Op zoek naar de Trechterbekercultuur' die onderdeel is van het project Land der Entdeckungen bood de kans de hypotheses over de mogelijke locatie van dit hunebed in het veld te testen. Het onderzoek kwam in het rollen doordat de huidige grondgebruiker en één van de eigenaren van de in aanmerking komende percelen nieuwsgierig waren naar het verdwenen hunebed dat zich op hun terrein zou moeten bevinden. Hun enthousiasme voor een mogelijk onderzoek gaf de aanzet tot een project onder leiding van de provinciaal archeoloog van Groningen, H. Groenendijk. In overleg met de grondeigenaars en gebruiker werd besloten eerst een onderzoek door middel van grondradar te laten uitvoeren om vast te stellen of er zich daadwerkelijk iets in de ondergrond bevindt dat in verband zou kunnen staan met een vroeger hunebed op deze locatie.

onnen-smit-632x1024

Fig. 2: De vermelding van 'eene steenhoop van gemeenen trant' bij Onnen in het boek van Smids uit 1711

  Onderzoek met grondradar 2011

Op 4 oktober 2011 volgt een onderzoek met de grondradar door de firma Medusa, de opdracht voor het onderzoek luidt: Verifiëren of het vermoeden van de aanwezigheid van een verdwenen hunebed juist is door middel van grondradar onderzoek. Bij het onderzoek is niet alleen de directe standplaats van het hunebed onderzocht, maar zijn ook ruim om deze locatie heen metingen verricht om een goede indruk te kunnen krijgen van de opbouw van de bodem en verstoringen van de natuurlijke opbouw beter in kaart te kunnen brengen. Hierbij moet men denken aan extractiegaten van de draagstenen, concentraties veldkeien die de vloer van de grafkamer hebben gevormd en andere bodemverstorende elementen die een indicatie kunnen zijn voor de vroegere aanwezigheid van een hunebed.

Een grondradar systeem bestaat uit een combinatie van een elektromagnetische zender en ontvanger. Bij het meten wordt een hoogfrequente radiopuls door de zendspoel uitgezonden en gereflecteerd door bepaalde lagen of objecten in de bodem. Gemeten wordt in parallelle lijnen die aan het einde een soort weefwerk vormen waarmee dan de hele oppervlakte van het onderzoeksgebied wordt afgedekt.

De metingen leveren als resultaat een beeld op van een ca. 10 bij 11 grote kuil met een tamelijk vierkante vorm. Deze verdieping in de natuurlijk bodem kan worden geïnterpreteerd als extractiekuil van hunebedconstructie. Ook tonen de metingen extra 'structuren' aan boven en onder de vermoedelijke extractiekuil. Hier kan sprake zijn van restanten van de vroegere hunebedvloer, die vaak werd geplaveid met kleinere veldkeien.

Op basis van deze gegevens is een tweede reeks meer gedetailleerde metingen uitgevoerd, die zich concentreert op de plek van de vermoedelijke extractiekuil. Deze tweede meting toont aan dat de kuil iets groter is dan initieel gedacht, ca. 14x18m en naar het midden toe concentrisch geleidelijk dieper wordt. Ook komt uit deze meting naar voren dat er zich op ca. 20cm boven de bodem in het centrale gedeelte van de extractiekuil nog een tweede laag bevindt, mogelijk een vloertje. Naast deze tweede laag zijn ook losse objecten / laagjes waarneembaar die zich boven het mogelijke vloertje bevinden.

  Gravend onderzoek Onnen 2012

Op basis van de gegevens uit het radaronderzoek is besloten op de plaats van de mogelijke extractiekuil een opgraving uit te voeren om te bekijken wat de radarsurvey hier nu daadwerkelijk heeft opgepikt. Iets meer dan een jaar na het uitvoeren van de radarmetingen wordt er op 22 oktober 2012 een proefsleuf getrokken, beginnend aan de NO-zijde van de locatie. Er tekent zich een beeld af van een bouwvoor op geel zand en een profiel dat het tegenovergestelde van dat van een heuvel is. In lichtgrijs loodzand tekenen zich driehoekige schopsteken met een donkergrijze vulling af (fig. 4). Deze schopsteken zijn vermoedelijk toe te schrijven aan middeleeuwse activiteiten in en om de (toen reeds opgevulde) kuil.

l1050817-576x1024

Fig. 3: Schopsteken in de opvulling van de kuil

Ook zijn er esgreppels aanwezig die op korte afstand van elkaar verlopen en haaks op de testput staan, één van deze greppels loopt door de vermoedde extractiekuil. Een mogelijke verklaring voor de functie van deze greppels is dat onderdeel zijn van pogingen tot grondverbetering op perceel. Ze zijn in elk geval jonger dan de ontginning van het perceel, maar niet zo jong dat ze in de locale herinnering nog present zijn.

De rand van de op de radarmeting geziene kuil is in de NW wand van de proefput het beste zichtbaar maar omdat de gelaagdheid niet duidelijk laat zien waarmee men hier nu te maken heeft, wordt het profiel bij deze wand verdiept. Hierdoor tekent zich geleidelijk een beeld af van wat er bij de radarsurvey gemeten is: in een natuurlijke depressie heeft zich een zware podsolbodem ontwikkeld – dit is een bodemtype dat op de schrale dekzandgronden in Noord-West Europa vaak voorkomt. Bij dit bodemvormingsproces ontstaat vaak een ondoordringbare bodemlaag, in dit geval heeft deze bodemlaag de reflecties opgeleverd die gelezen zijn als 'bodem extractiekuil'. In de vulling van de depressie is geen overtuigende houtskool aangetroffen, wel is uit in secundaire opvulling een verbrand vuurstenen werktuig gevonden.

  Conclusies

Bij de door middel van grondradar opgespoorde depressie gaat het niet om de extractiekuil van een hunebed maar om een opgevulde natuurlijke depressie in het dekzand. De stenigheid van de opvulling – de natuurlijke bodem is hier geheel steenloos – in combinatie met de vondsten van J.E. Musch en de in de omgeving voorkomende namen 'Steenbergerveen' en 'Steenakker' duiden wel op de aanwezigheid van een gesloopt hunebed in de nabijheid van de in deze campagne onderzochte locatie. Hoe de opvulling van de depressie tot stand gekomen is kan niet met zekerheid worden vastgesteld, het aanwezige zand kan ingestoven zijn, maar de eveneens aangetroffen granietbrokjes en vuursteenartefacten wijzen op een antropogene invloed. De opvulling kan zowel bij de bouw als ten tijde van het slopen van het hunebed hebben plaatsgevonden, in beide gevallen is de aanwezigheid van granietbrokjes te verwachten, deze kunnen echter ook het gevolg zijn van andere menselijke activiteiten, zoals bijvoorbeeld het verpulveren van graniet ten behoeve van aardewerk productie. Middeleeuws ingrijpen in de structuur van
de grond wordt vermoed op basis van de aanwezigheid van schopsteken in de secundaire vulling van de depressie (fig. 4) en het aantreffen van een kogelpotrandscherf in de bouwvoor. De zoektocht naar G4 is dus nog niet afgesloten, een hernieuwde poging tot ontknoping van dit raadsel zou begonnen kunnen worden met het preciseren van de vindplaatsopgave door J.E.Musch, het verifiëren van het toponiem 'Steenakker' en een inspectie luchtfoto's vanaf 1966.

tekst: Esther Scheele