button layar2

In 1921 trof W. Beyerinck op ruim 1 km ten zuidoosten van Spier in het centrum van een vergraven heuvel de resten van een vernield hunebed aan. Door de verborgen ligging in een heuvel is dit hunebed waarschijnlijk tot die tijd aan de aandacht van geschiedkundigen ontsnapt. De vinder verrichtte hier in 1921 en 1923 onderzoek, waarbij onder meer een groot aantal scherven van TRB-aardewerk werd geborgen. In 1949 werd het hunebedrestant geheel door Van Giffen opgegraven. Uit de summiere opgravingsdocumentatie kan worden afgeleid dat het hunebed een kamerlengte heeft gehad van iets meer dan 8 m en waarschijnlijk was opgebouwd uit vijf paar zijstenen. Sporen van een ingang werden niet vastgesteld. In totaal werden uit de kamervulling meer dan 4200 scherven van TRB-aardewerk verzameld (horizonten 2-7, en dan met name de laatste fasen). Tot het vondstmateriaal uit de kelder behoren ook fragmenten van in totaal 18 bakplaten.
Buiten de kelder werden ter hoogte van de (veronderstelde) ingang nog op vijf plaatsen vondsten gedaan, waarvan drie met zekerheid aan de trechterbekercultuur kunnen worden toegewezen. Het gaat om zowel nabijzettingen als andere rituele begravingen in de dekheuvel of aan de heuvelvoet.