button layar2

Het oudst bekende onderzoek in een hunebed vond plaats in 1685; de Groningse dichteres Titia Brongersma liet toen één dag graven in het grote hunebed van Borger.

Het eerste serieuze onderzoek werd verricht door de Leidse archeoloog J.H. Holwerda, die in 1912 het hunebeddenpaar van Drouwen aan een opgraving onderwierp. Hierna nam de latere Groningse hoogleraar A.E. van Giffen het van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden over. Van Giffen heeft sommige hunebedden voor een deel, andere volledig opgegraven (zoals D53, het grote hunebed van Havelte).

Het laatste onderzoek waar hij bij betrokken was, was het onderzoek van D26, het hunebed dat op het Drouwenerveld ligt. Dit onderzoek heeft de resten van zo’n 115 potten opgeleverd, die gerestaureerd zijn en nu te bewonderen zijn in het Hunebedcentrum in Borger.

Vandaag de dag zijn archeologen zeer terughoudend in het opgraven van deze monumenten. Ze weten dat toekomstige generaties het veel beter zullen kunnen en meer informatie aan de stenen grafkamers zullen weten te onttrekken. Zonder de inzet van nieuwe technieken en nieuwe vraagstellingen zal er voorlopig niet gegraven worden in de hunebedden. Opgraven kun je tenslotte maar één keer. Dat leidt soms tot stevige debatten. Wat we in de toekomst wel zullen zien is een toenemende belangstelling voor het gebruik van technieken om in de bodem te kijken zonder te graven, het non-destructieve onderzoek.