De steenhoopen in de gemeente Borger door Harm Tiesing.

(1913 Eerelmans almanak)

De steenhoopen in de gemeente Borger. (de D. nummers zijn er tussengevoegd door B. Liewes)

Het is bekend, dat deze gemeente het ruimst voorzien is van de merkwaardige overblijfselen der oudheid, die men hunnebedden noemt en die sedert vele eeuwen de aandacht van alle oudheidkundigen tot zich hebben getrokken. Omtrent het ontstaan dier hunnebedden of steenhoopen verdiept men zich in gissingen, want de geschiedenis heeft ons geen enkel bewijs hieromtrent nagelaten. Stellig wijzen zij ons terug naar een lang verleden, naar een tijd, waarin hier menschen woonden die eene verbazende lichaamskracht hebben bezeten. Ook daarom hebben dichters hunne aandacht hieraan gewijd, zoodat een hunner tot het groote hunnebed te Borger kwam met de vraag: „O zware klompen, log en groot, in massa hier bijeengebracht, Die eeuwen reeds het stof omsloot van krjjgers uit het ruw geslacht der Hunnen. O, verkondigt mij de macht waardoor ge eens werd vergaard, Toen nog de mensch geen heerschappij door stoom en werktuig voerde op aard.’’ Voor een halve eeuw lag dit hunnebed in eene omgeving van woeste heide. Thans is alles in den omtrek bebouwde grond en het hunnebed omgeven door boschgewas, waardoor het gezicht daarop van uit de verte weggenomen is. Een wandelpad door het voor enkele jaren opnieuw aangelegd bosch leidt er naar toe. De lengte van dit hunnebed (D 27) is 23, de breedte 4 tot 6 m. en de hoogte is 2.10 m. boven den beganen grond. ‘t Laat zich denken dat het vroeger hooger is geweest, want de hnnnebedden zijn, allen verzakt. Het heeft 12 ring- of draagsteenen ten noord- en 13 ter zuidzijde, twee zoogenaamde eindsteenen, die allen op den grond staan, maar daarin voor een grooter of kleiner gedeelte weggezakt zijn, en 9 dekstenen, totaal 36 steenen. Ter zuidzijde zien we hier nog een ingang, die uit zes steenen bestaat, nl. ter weerszijden twee draagsteenen, eene deksteen en eene sluitsteen. Het geheele hunnebed heeft dus 42 zichtbare steenen, waarvan de zwaarste deksteen door sommige op 30000, door anderen op 40000 kilogrammen wordt geschat. Bij het eerste aanzicht heeft dit hunnebed een verward aanzien, doch al spoedig ontdekt men er eenige regelmaat. Zeer rechtlijnig was de stand ter noordzijde, waar echter de meeste verzakking heeft plaats gehad. De verzakking der draagsteenen leidde tot eene instorting van de negen deksteenen, waarvan er nog twee in hun normalen toestand zijn gebleven. ‘t Zijn gewis de zwaarste steenen in Drenthe die wij hier zien bijeengebracht. Hunne afmetingen zijn 5 ½ M. in de lengte, 4 à 4 ½ m. in de breedte en 1 tot ½ m. in de hoogte. Op ongeveer tien minuten afstands, in rechte lijn genomen, vindt men twee hunnebedden (D28 en D29) in het Buiner heideveld. De omgeving is ook hier in de laatste jaren al meer veranderd, het heideveld is bouwland geworden. Van het eene dier hunnebedden is de lengte 7 m., de breedte 3 en de hoogte l ½ m. Het bestaat uit 4 draagsteenen ter weerszijden, 2 eind- of sluitsteenen en 3 deksteenen, totaal 13 steenen. De grootste steen is hier 3 m. lang, 2 m breed en 1 m. hoog. Blijkbaar ontbreekt hier één deksteen. Op pl.m. 30 m. afstand ligt een tweede hunnebed. Lengte 9, breedte 3, hoogte l ¾ m. Het heeft ter weerszijden 4 draagsteenen, aan het oosteinde 2 en aan het westeinde 1 sluitsteen en twee deksteenen van 4 tot 4 ½ m. lengte, 4 m. breedte en 1 m. hoogte en totaal 13 steenen. In de richting naar Drouwen vinden wij daar in de Korenesch twee hunnebedden (D21 en D22) , waarvan het eerste heeft 4 draagsteenen ter eene en 3 ter andere zijde, 2 sluitsteenen en 3 deksteenen, totaal 12 steenen. De lengte van het hunnebed is 7 m., de breedte 2, de hoogte 1 ½ m. Slechts één der deksteenen is hier verzakt. Er ontwikkelt zich aan den voet van dit hunnebed een houtgewas. Drie eikenstammen en eene beukenstam groeien er vrij en onbelemmerd om heen, zoodat de takken het geheele hunnebed overschaduwen. Het tweede hunnebed is slechts ongeveer 15 m. van het eerste verwijderd en heeft niet meer dan 3 steenen. Twee er van zjjn deksteenen die men voor één gescheurde of gespleten steen beschouwt, en een draagsteen ligt er onder. Misschien zijn er meer steenen onder den grond bedolven. Tusschen de beide deksteenen of van uit de vermoedelijke spleet groeit eene eiktop, die dit hunnebedje met zijne takken overschaduwt. Ongeveer 300 m. oostwaarts van hier vinden wij drie hunnebedden (D23 ,D24 en

D25) op onderlinge afstanden van 30 tot 50 m. ’t Eerste is lang 8, breed 2 ½ en hoog I ½ m. ‘t Heeft vier draagsteenen ter weerzijden, 2 eind- of sluitsteenen en 4 deksteenen, totaal dus 14 steenen. Slechts een deksteen is van de draagsteenen afgezakt, de andere drie liggen goed daarop. De deksteenen zijn 3 m. lang, l ½ tot 2 ½ m. breed en 1 m. dik. De grootste deksteen, met eene platte kant naar beneden, ligt zoodanig dat er gemakkelijk drie mannen in gebogen houding onder staan kunnen, wijl de grond daaronder uitgegraven schijnt te zijn.

Twee kleine hunnebedden liggen daarbij. Het eerste is lang 7, breed 2, hoog 1 ½ m. Er zijn drie draagsteenen ter eene en slechts een ter andere zijde. Ook is er slechts eene deksteen ter lengte van 2 m. en ter dikte van ¾ m. Dit hunnebed is stellig onvoltooid gebleven of het is geschonden. Het heeft niet meer dan 5 steenen.

Het andere hunnebed aldaar is zoo verzakt dat het over eenige jaren niet meer zichtbaar zijn zal tenzij men den grond er om heen weggraaft. De lengte is 6 m., de breedte l ½ m. en de hoogte boven den beganen grond, wegens den heide- en struikgroei er om heen,, is niet te bepalen. Er zijn 2 draagsteenen of zijsteenen en eene sluitsteen. Eene platvormige deksteen ligt zeer schuin. Het geheele hunnebed heeft 7 zichtbare steenen.

Ongeveer 600 M. vanaf Drouwen vinden we in westelijke richting weer twee hunnebedden (D19 en D20). Van ‘t eerste is de lengte 11, de breedte 3 en de hoogte 1 ¼ m. Wij vinden hier ter eene zijde 6, ter andere zijde 5 draagsteen en de eindsteenen zijn er niet als gewoonlijk. Aan het eene einde zien we brokstukken half boven den grond. Ook in de omgeving liggen zulke brokken op afstanden van 4 tot 6 m. Welk geslacht zich hier aan eene schending van dit hunnebed heeft schuldig gemaakt weet men niet. Groot en klein tellen wij 38 steenen.

Het andere ligt er maar ongeveer 30 m. af. De lengte is 15, de breedte is 3, de hoogte is 1 ¾ m. ‘t Heeft ter eene zijde 8, ter andere 9 draagsteenen en 6 deksteenen die allen deerlijk verzakt zijn. De eindsteenen ontbreken; er zijn dus 23 steenen. Er om heen liggen weer brokken van steenen in het veld en een viertal ligt zoodanig alsof zij eene soort ingang vormen als bij het eerste hunnebed te Borger. Met al deze boven den grond liggende brokken telden we er 32 steenen.

Dan nog rest ons de beschrijving van een hunnebed (D 26) in de boermarke van Bronger, dat ongeveer twintig minuten gaans vanaf het kerkdorp Borger ligt. Geplaatst op eene hoogte in het open veld is het op verren afstand zichtbaar. De lengte van dit hunnebed is 12, de breedte 3 en de hoogte boven den omliggenden beganen grond is circa 2 Meter. Het heeft ter eene zijde 6, ter andere 5 draagsteenen, aan iedere einde eene sluitsteen en 4 deksteenen, de laatste van 4 tot 4 ½ M. lengte, 2 ½ tot 3 ½ m. breedte en 1 tot 1 ½ m. dikte. Slechts eene deksteen is verzakt, de overige liggen goed op de draagsteenen. Te zamen heeft het dus 17 steenen. Merkwaardig is dit zoo weinig bezochte hunnebed omdat er aan de zuidzijde op ongeveer 3 M. afstands van de draag- of ringsteenen nog een breede ring is geplaatst die 8 steenen telt, welke 1 tot 1 ½ m. van elkander af liggen. Zij zijn kleiner dan de draagsteenen waarop de deksteenen rusten en liggen ½ tot ¾ m. boven den grond. Twee steenen staan nog weer buiten dien ring, zoodat men daar aan eene soort ingang zal moeten denken. Iets verder af vinden we nog eenige verspreide brokken, zoodat men omtrent dit hunnebed verschillende vermoedens zou kunnen opvatten. Moet men hier aan eene omheining denken, waarvan sommige stukken zijn verdwenen of in den grond verzonken? Of heeft men hier ter zuidzijde eene soort galerij willen vormen, zoodat dit hunnebed meer sporen vertoont dan de andere hunnebedden van eenige bouwkunde. Of is alles het gevolg van vernielingswoede, die zich ten opzichte van de kleinere steenen heeft kunnen openbaren en bij de groote tevergeefs zijne_ krachten heeft beproefd?

Wij hebben hiermede van al de elf hunnebedden in deze gemeente een beknopte omschrij-

ving gegeven. Ontelbare malen is hier de vraag gedaan hoe, die oude gevaarten daar eenmaal gekomen zijn. Piccardt, de eerste die over Drenthe geschreven heeft, denkt dat reuzen de hunnebedden hebben gebouwd en het Drentsche volk heeft hem dit getrouw naverteld. Onze

bekende dichter W. J. Hofdijk heeft in een gedicht „Aeddon” de daden bezongen van een sterk en ruw geslacht, dat eenmaal oostelijk Drenthe bewoonde. Er waren hier toen groote wouden met veel wild gedierte. Aan de zijden van die wouden stonden hier en daar eenige paalwoningen, waarin die ruwe mannen woonden. Een hunner, een jonge held, Aeddon genaamd, uit Borgar, gaat op zekeren dag ter jacht uit. Hij doodt veel wild dat hem tot spijs dienen zal maar komt in het strijdperk met een everzwijn, dat door hem gedood wordt, maar waarbij de jager vreeselijk verwond wordt. Met zijne wonden voortzwervende komt hij in eene hem onbekende woning, waar eene dochter des huizes, zekere Alwene, hem behulpzaam is bij de behandeling zijner wonden. Het gevolg hiervan is dat hij op Alwene verliefd raakt en beiden elkander trouw zweren. Later is Aeddon op eene van zijne tochten verdwenen en men weet niet waar hij is gebleven, dan wel of hij door een wild dier gedood is. In dien tijd wordt de woning, waarin Alwene vertoeft, aangevallen door eéne roofzieke bende, die alleen Alwene het leven laat, maar ha ar wegzendt in het woud. Al dolende vindt zij eene haar onbekende woning en het is juist die van Aeddons moeder. Hier wordt zij als eene dochter des huizes aangenomen in de hoop dat Aeddon nog eenmaal zal terugkomen. Nadat men in vele jaren niets meer van hem verneemt komt de hoofdman van de buurtschap Borgar, zekere Angor, in de woning der weduwe en leert Alwene kennen, waarop ook hij verliefd raakt. Alwene treurt nog om het verlies van Eddon, maar de moeder spoort haar aan Angors vrouw te worden, zoodat zij toestemt. Daarna keert Eddon terug, die eenige jaren als gevangene heeft doorgebracht in ballingschap bij eene andere bende. Hij zinkt in Alwene’s armen, maar …. zij is nu de verloofde van Angor, de overste van Borgar. Eene strijd zal volgen tusschen Eddon en Angor om het bezit van de schoone Alwene. Maar Angor heeft zooveel onderdanen dat Eddon het wel verliezen moet. Als hij den kampstrijd opgeeft en aan Angor vertelt hoe het komt dat hij Alwene bemint en al wat verder met deze liefde in verband staat wordt Angor edelmoedig en schenkt Aeddon zijn schoone bruid terug. Nu zou men denken dat de historie eindigt. Maar mis hoor! Er komt een opperhoofd van eene andere bende bij Angor te Borgar op een feestmaal verschijnen. Er wordt een echt feest gehouden, waarbij veel gedronken wordt en ten slotte eene groote twist ontstaat, want de vreemdeling wil nu Angor dooden om Borgar in bezit te nemen. Krachtig wordt Angor in dezen strijd gesteund door den jongen held Aeddon, die met de schoone Alwene trouwen zal. Maar zij moeten zwichten voor de overmacht en ten slotte worden Angor, Aeddon en Aeddons bruid tot den doodstraf verwezen. Toen trad Aeddons oude moeder naar den overwinnaar en streed zooveel voor het behoud van de drie, dat de roover eindelijk besloot Aeddon en Alwene in vrijheid te laten, maar hij eischte het bloed van Angor. Vol moed en met uitzicht op het hemelsche Walhalla ging Angor den dood tegemoet en stierf, omringd door zijne trouwe onderdanen, die op zijn graf nu het grootste hunnebed gingen bouwen dat er ergens lag en dat is het 4 groote hunnebed bij Borger.

Zoo heeft zich ook hier de sage verbonden aan dit merkwaardig overblijfsel der oudheid. Hofdijk heeft in zijn gedicht dat uit tien zangen bestaat, zeer schoone gedeelten en de grondtoon van zijn vers is nedergelegd in de volgende regelen:

„Het menschlijke in den mensch verloochende zich nooit,

En in de menschheid ging de mensch nooit gansch verloren.

Het heden gaat voorbij, de toekomst wordt geboren,

Maar in het nieuwe kiemt altoos weer ’t oude zaad:

Het menschlijk harte, met zijn driften, goed en kwaad.

Tekst: Bertus Liewes

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

lees meer