De hunebedden van Drouwen, D19 en D20, hebben vooral bekendheid verworven door de eerste moderne, wetenschappelijke opgraving die er in 1912 plaatsvond. De Leidse archeoloog Jan Hendrik Holwerda groef beide hunebedden op. Met name D19 bleek bijzonder rijk aan grafgiften. Holwerda vond onder meer resten van ca. 400 aardewerk potten, 13 vuurstenen bijlen, veel vuurstenen pijlpunten, messen en schrabbers, 9 barnstenen kralen en 6 reepjes koper (die daarmee behoren tot de oudste metalen voorwerpen, maar ook tot de oudste sieraden, ooit gevonden in Nederland) en ook fragmenten van menselijk bot en tandkapsels. Ook vermeldenswaardig is dat bij de opgraving van D19 vastgesteld is dat er in de westelijke helft van de grafkamer 3 rechtopstaande stenen stonden, dwars op de lengteas van het hunebed. Holwerda interpreteerde dit als een bewust geplaatste, interne afscheiding binnen de grafkamer. Zowel de compartimentering als ook de grote rijkdom aan grafgiften wijzen erop dat D19 gedurende lang tijd is gebruikt, waarschijnlijk door meerdere, mogelijk zelfs een tiental, opeenvolgende generaties.
Van Giffen, in 1918, beschreef hunebed D19 als zijnde in een “zeer gestoorde toestand”. In 1961-1962 heeft de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) verder onderzoek en een gedeeltelijke restauratie gedaan, waarbij men de stenen van het hunebed weer zoveel mogelijk in de veronderstelde oorspronkelijke opstelling probeerde te brengen. Van Giffen leidde deze restauratie niet zelf, maar zijn werkwijze en ideeën vormden er wel de basis voor. Een meer ingrijpende restauratie vond plaats in 1998. Hierbij werden gespleten dekstenen weer samengesteld, scheuren met cement gestabiliseerd en een grote zwerfsteen als poortdeksteen weer terug(?) geplaatst. In 2006 werd die poortdeksteen door vandalen van zijn plaats gegooid. Men heeft hem toen bewust naast het hunebed laten liggen. Men koos ervoor niet te reconstrueren wat onzeker is.
Tweelingbroer D20 ligt slechts enkele meters ten oosten van D19. D20 heeft wel een (bijna) complete steenkrans, van 21 stenen. Bij de opgraving van 1912 zijn hier veel minder grafgiften gevonden, maar wel crematieresten. Omdat beide hunebedden min of meer gelijktijdig in gebruik zijn geweest, vlak bij elkaar lagen en toch (kleine) verschillen toonden wat betreft grootte, compartimentering en grafgiften, gaat men ervan uit dat ze gebouwd zijn door twee (nauw) verwante maar niet identieke sociale eenheden, in plaats van door één homogene groep*).











Voor meer informatie over D19 en D20 klik hier De historische foto’s bij dit artikel zijn te vinden via het Archief van het Rijksmuseum van Oudheden | Fotoarchief (zoeken op ‘D19’) en https://dbc.rug.nl/digital/collection/GIA-fotos (gebruik de zoektermen ‘drouwen’ en ‘hunebed’).
*) Dit komt vaker voor, zo’n cluster van twee (of meer) hunebedden dicht bij elkaar. Niet alleen in Drenthe, met o.m. de hunebedden van Midlaren (D3 en D4), van Rolde (D17 en D18) en ook van Bronneger (D22-D25, maar ook in Noord-Duitsland en in Denemarken. Hun clustering en onderlinge, vaak subtiele, gebruiksverschillen wijzen op grafmonumenten van verschillende afstammingsgroepen (families?) binnen één lokale gemeenschap, elk met een eigen identiteit en met een eigen rituele autonomie.