Hunebed Borger (D27) op oude foto’s van het GIA

Het hunebed van Borger (D27) neemt een bijzondere plaats in binnen het Nederlandse archeologische landschap. Met zijn lengte van 22,6 meter is het de grootste megalithische grafkelder van ons land. Het monument, opgericht door de Trechterbekercultuur in het neolithicum (ca. 3400–3200 v.Chr.), herbergt bovendien, met een geschat gewicht van ongeveer 20 ton, de zwaarste deksteen van alle Nederlandse hunebedden. De geschiedenis van D27 weerspiegelt niet alleen de ingenieuze grafarchitectuur van de prehistorie, maar ook de veranderende wijze waarop men in Nederland door de eeuwen heen met archeologisch erfgoed is omgegaan.

Gedurende lange tijd was de oorsprong van de hunebedden omgeven door volksverhalen. De imposante steenconstructies werden toegeschreven aan zogenaamde huynen of reuzen, die volgens de overlevering verantwoordelijk zouden zijn geweest voor de bouw ervan. Een eerste stap in de ontkrachting van deze opvattingen werd gezet in het voorjaar van 1685 door de Fries-Groningse dichteres Titia Brongersma. Tijdens een verblijf in Borger liet zij een opgraving uitvoeren in (een klein hoekje van) D27. Onder de dekstenen troffen haar arbeiders eerst een zorgvuldig aangebrachte laag rolstenen aan. Daaronder kwamen aanzienlijke hoeveelheid prehistorisch aardewerk tevoorschijn. De potten – destijds beschreven als bruinblauw en donkerrood met twee of vier oren – bleken uiterst kwetsbaar en vielen tijdens het blootleggen in scherven uiteen. In de potten bevonden zich gecremeerde menselijke botresten en as. Deze ontdekking leverde een eerste aanwijzing dat hunebedden geen natuurlijke rotsformaties of constructies gemaakt door reuzen waren, maar doelbewust aangelegde, collectieve begraafplaatsen van een vroege menselijke gemeenschap.

Omdat de archeologie destijds als wetenschappelijke discipline nog niet bestond, uitte Brongersma haar bevindingen en (vooral) haar verwondering in de vorm van poëzie: in de enige van haar bewaard gebleven dichtbundel, De Bron-swaan (Groningen, 1686), wijdde zij een 27-regelig gedicht aan de opgraving getiteld: “Lof op ’t hunebed, of de ongemene, opgestapelde steenhoop te Borger in Drente”. Daarin beschreef zij het bouwwerk in sterk mythologische bewoordingen als “Natura’s Marmeren Tempel”, al dan niet gesmeed “door ’t bliksemvuur van Mulciber”. Het meer feitelijke verslag van haar vondsten verscheen pas 25 jaar later in de Schatkamer der Nederlandse Oudheden (1711) van haar goede vriend, de arts en oudheidkundige Ludolph Smids. Hij baseerde zich op haar mondelinge overdracht en op de scherven en botresten die zij hem had geschonken. Hierdoor kreeg haar opgraving alsnog een plaats binnen de vroegmoderne geschiedschrijving van de Nederlandse oudheden.

Eeuwenlang heeft D27 gelegen op een grote open heidevlakte, totdat in 1850/51 langs de weg Borger-Bronneger in de nabijheid van het hunebed een armenwerkhuis werd gebouwd. Als een van de eerste werkverschaffingsprojecten heeft de armenvoogd samen met de bewoners een plantsoentje rondom het hunebed aangelegd. Een berkenbosje en een dennenveldje werden aangeplant waartussen wandelpaden, een bloemperkje en zelfs een kleine uitkijkheuvel (om bezoekers een beter zicht op het hunebed te bieden) verschenen.

Omstreeks 1865 werd het hunebed aangekocht door het Rijk, als onderdeel van een campagne (in de jaren ’60 van de 19e eeuw) om de Drentse hunebedden beter te kunnen beschermen tegen steenroof en sloop. Rond de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw verschoof de publieke en bestuurlijke aandacht verder naar het ontsluiten en conserveren van het monument, vooral ten behoeve van het vroege toerisme. Als gevolg daarvan onderging in 1903 de directe omgeving van D27 nogmaals een ingrijpende gedaanteverandering. De toenmalige overheid besloot de omliggende, danig verwilderde vegetatie te kappen om plaats te maken voor een Engelse landschapstuin. Het doel was het creëren van een gecultiveerde, parkachtige omgeving die aansloot bij de toenmalige burgerlijke opvattingen over schoonheid en recreatie. Er werden slingerpaden aangelegd en borders met siertuinbeplanting en bloembedden gecreëerd. Hoewel deze ingreep bedoeld was om het monument op een waardige manier aan het publiek te presenteren, werd totaal geen rekening gehouden met de archeologische betekenis van de bodem rondom het hunebed.

Toen niet eens zoveel later, in 1918, Van Giffen zijn grootschalige inventarisatie van de Nederlandse hunebedden uitvoerde, leverde hij dan ook scherpe kritiek op de situatie in Borger. Weliswaar omschreef hij het hunebed zelf als het “grootste en meest trotsche steengraf”, maar de directe omgeving was een “ongepast parkje” dat afbreuk deed aan de prehistorische monumentaliteit van het bouwwerk. Bij later veldonderzoek constateerde hij bovendien dat de herinrichting aanzienlijke schade had veroorzaakt aan de archeologische context. Door het diep omspitten van de grond voor de aanleg van bloembedden waren belangrijke bodemlagen verstoord geraakt.

Van Giffen was met name geïnteresseerd in de resten van de oorspronkelijke steenkrans: een ring van kleinere keien die ooit de grafheuvel begrensde. Door de werkzaamheden van 1903 waren de bodemsporen waarin deze stenen verankerd hadden gezeten echter grotendeels vernietigd, waardoor hun exacte ligging niet langer kon worden vastgesteld. Als reactie hierop zette Van Giffen een herinrichting van het terrein in gang. Vanuit zijn visie hoorde een hunebed niet thuis in een siertuin, maar in een sobere en natuurlijke omgeving waarin de prehistorische architectuur centraal staat. Onder zijn leiding werd de Engelse landschapstuin ontmanteld en vervangen door een veel soberder inrichting met open gras- en zandvlakten. Hoewel het terrein in de daaropvolgende decennia door natuurlijke begroeiing en veranderend landschapsbeheer opnieuw een meer boomrijk karakter kreeg, herstelde Van Giffen daarmee de aandacht voor het hunebed als prehistorisch monument in zijn landschappelijke context.

In de eenentwintigste eeuw is het onderzoek naar D27 veel meer in lijn met de moderne archeologische opvattingen uitgevoerd. Omdat opgravingen tegenwoordig worden beschouwd als een ingrijpende en onomkeerbare vorm van onderzoek, geniet behoud in situ de voorkeur. Daarom is het meest recente onderzoek van de bodem onder het hunebed uitsluitend met niet-invasieve technieken gedaan. In 2010 en opnieuw in 2013 is, in opdracht van het Hunebedcentrum, uitgebreid geofysisch onderzoek gedaan, waarbij met behulp van elektromagnetische scans (grondradar) is geprobeerd de ondergrondse structuur van het monument in kaart te brengen- zonder daarbij de bodem daadwerkelijk te verstoren.

Hoewel de resultaten niet altijd eenduidig konden worden geïnterpreteerd, leverden de scans toch waardevolle inzichten op. Zo lieten de bodemscans duidelijk sporen zien die geïnterpreteerd konden worden als de voet van de oorspronkelijke dekheuvel. Ook suggereerde de scans waar de kransstenen, nu allemaal op twee na verdwenen, moeten hebben gelegen. Voor de ingang van het hunebed werd een structuur gevonden die wellicht een offerkuil was. Onder D27 werden anomalieën geregistreerd die mogelijk verband houden met de oorspronkelijke keienvloer van de grafkamer en met concentraties van neolithisch aardewerk en vuurstenen artefacten. Omdat de grafkelder in het verleden nooit volledig is onderzocht of leeggeruimd, bevestigen deze resultaten dat zich onder de stenen van D27 nog altijd een (deels intact?) prehistorisch archief bevindt. Daarmee blijft het hunebed niet alleen een indrukwekkend monument uit het verre verleden, maar ook een belangrijke bron voor toekomstig archeologisch onderzoek.

De oudste foto’s van het hunebed van Borger, gemaakt door Friedrich Julius von Kolkow uit Groningen
Plan van aanleg bij het groote Hunebed te Borger (1903; Nationaal Archief Den Haag toegangsnummer 2.04.13; 1482, 171)
D XXVII – Het hunebed van Borger (D27), zoals Van Giffen dat in 1918 aantrof. Op de achtergrond is nog duidelijk zichtbaar het Armenwerkhuis van Borger, aan de Bronnergerstraat– tegenwoordig deel van het kantoorcomplex van het Hunebedcentrum (foto 1918-0180, GIA).
D XXVII – Het hunebed van Borger (D27), nogmaals in 1918 (foto 1918-0155, GIA).
Plattegrond van hunebed D27 (uit A.E. van Giffen, De hunebedden van Nederland; Utrecht; 1925-1927).
Het hunebed van Borger (D27), tegenwoordig (foto Rob Wervelman).

Voor meer informatie over D27 klik hier. Een krantenartikel over het grondradaronderzoek gedaan in 2010 en 2013 vindt u hier.

Het GIA (Groninger Instituut voor Archeologie) heeft in het najaar van 2024 veel oude foto’s van opgravingen digitaal ontsloten. Een ware schatkamer. De historische foto’s bij dit artikel zijn te vinden via https://dbc.rug.nl/digital/collection/GIA-fotos. Als u hier de zoektermen borger en hunebed intikt vindt u de getoonde foto. De foto’s van Von Kolkow zijn onder meer te vinden in de beeldbank van het Drents Archief, https://www.drentsarchief.nl/onderzoeken/beeldbank (zoek op Von Kolkow, D27).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

lees meer