Overzicht verdwenen hunebedden in Drenthe en Groningen

D6a/Tynaarlo

Het verdwenen hunebed D6a kent een ingewikkelde geschiedenis. In 1928 onderzocht Van Giffen ten oosten van het nog bestaande hunebed D6 een uitgestoven en vergraven terrein dat bedreigd werd met ontginning. Hij meende daar de sporen van twee verdwenen hunebedden aangetroffen te hebben, door hem D6e en D6f genummerd. Later hebben J.N. Lanting en anderen geconcludeerd dat het hier om de standplaats van één enkel hunebed gaat. Zij gaven dit hunebed het nummer D6a. D6a is een klein hunebed geweest, met afmetingen van 4,8 x 2 m en opgebouwd uit vier paar zijstenen. Behalve deze grondsporen werd ook nog een zestal paalkuilen blootgelegd, die samen een rechthoek vormen en waarvan de lengteas samenvalt met die van de oorspronkelijke kelder. Op grond van deze samenhang wordt een relatie verondersteld met de bouw van het hunebed. Het onderzoek leverde tevens een groot aantal vondsten op, in hoofdzaak aardewerk van de Trechterbekercultuur; de oudste keramiek kan aan horizont 2 worden toegewezen.

D6e en D6f/Tynaarlo, gemeente Tynaarlo

Het verdwenen hunebed D6a kent een ingewikkelde geschiedenis. In 1928 onderzocht Van Giffen ten oosten van het nog bestaande hunebed D6 een uitgestoven en vergraven terrein dat bedreigd werd met ontginning. Hij meende daar de sporen van twee verdwenen hunebedden aangetroffen te hebben, door hem D6e en D6f genummerd. Later hebben J.N. Lanting en anderen geconcludeerd dat het hier om de standplaats van één enkel hunebed gaat. Zij gaven dit hunebed het nummer D6a. D6a is een klein hunebed geweest, met afmetingen van 4,8 x 2 m en opgebouwd uit vier paar zijstenen. Behalve deze grondsporen werd ook nog een zestal paalkuilen blootgelegd, die samen een rechthoek vormen en waarvan de lengteas samenvalt met die van de oorspronkelijke kelder. Op grond van deze samenhang wordt een relatie verondersteld met de bouw van het hunebed. Het onderzoek leverde tevens een groot aantal vondsten op, in hoofdzaak aardewerk van de Trechterbekercultuur; de oudste keramiek kan aan horizont 2 worden toegewezen.

D8a/Anloo (Kniphorstbos), gemeente Aa en Hunze

In 1992 werden in een kaalslag direct ten zuiden van het nog bestaande hunebed D8 door A. Klein Wassink, J.E. Musch en J. Musch de resten ontdekt van een tweetal geheel ontmantelde hunebedden. Van hunebed D8a restte slechts een onopvallende, onregelmatige verlaging, die voor een groot deel bleek samen te vallen met een vergraven kuil. Deze kuil is niet verder onderzocht. Wel zijn de afmetingen en oriëntatie ervan bepaald. Gelet op de omvang van de kuil (11 x 6 m) moet gedacht worden aan een klein hunebed met vier of vijf paar zijstenen. De oriëntatie van het hunebed houdt vermoedelijk verband met de ligging langs een prehistorische route. Het TRB-aardewerk dat ter plaatse werd verzameld, behoort tot de horizonten 3 en 4.

D8b/Anloo (Kniphorstbos) gemeente Aa en Hunze

De standplaats van dit vernielde hunebed, dat gelijktijdig met het nabijgelegen en eveneens geheel ontmantelde hunebed D8a werd ontdekt, was in het terrein herkenbaar als een flauwe, ovale verlaging met daaromheen de aanzet van een lage heuvel. Deze heuvel kan beschouwd worden als de dekheuvel. Summier onderzoek heeft uitgewezen dat de laagte grotendeels samenvalt met een vergraven kuil die veel steengruis bevat. Op de bodem van de kuil werden nog enkele keitjes van de keldervloer opgetekend. Uit de omvang van de kuil (lengte 6 m, breedte 3,5 m) kan worden opgemaakt dat het een klein hunebed moet zijn geweest, met hooguit drie paar zijstenen. Hunebed D8b bezit dezelfde oriëntatie als D8a. Ook hier is waarschijnlijk niet alleen de ligging maar ook de oriëntatie bepaald door de aanwezigheid van een prehistorische route. In de kuilvulling en eromheen werd, naast wat vuursteenmateriaal, ook TRB-aardewerk aangetroffen, daterend uit de horizonten 3 en 4.

D13a/Eext (Eexterhalte), gemeente Aa en Hunze

In januari 1923 legde H. Brinks uit Eext bij graafwerkzaamheden op zijn erf een met stenen beklede grafkamer bloot. In zijn enthousiasme doorgroef de vinder vervolgens de gehele grafkelder. Toen kort daarop een medewerker van het BAI zich ter plaatse op de hoogte stelde van de vondst, was er dan ook niet veel meer van over dan een groot gat en een hoop losse stenen. Een nader onderzoek leverde alleen nog maar een aantal TRB-scherven op. Dit aardewerk behoort tot verschillende horizonten. Gelet op het ontbreken van grondsporen en het geringe formaat van de aangetroffen stenen, mag worden aangenomen dat het hier om een steenkist gaat.

D13b/Eext, gemeente Aa en Hunze

n 1927 onderzocht Van Giffen, gelijktijdig met de opgraving van de Eexter grafkelder (D13), de overblijfselen van twee nabijgelegen grafkamers waarvan de stenen reeds lang geleden waren afgevoerd. De granietgruisconcentraties van hun standplaatsen waren kort daarvoor in pas ontgonnen land ontdekt. D13b was ook nog doorsneden door een sloot. Het onderzoek van D13b leverde, afgezien wat TRB-aardewerk en enkele klokbekerscherven, vrijwel geen informatie op. Er moet dan ook rekening mee worden gehouden dat D13b geen hunebed maar een steenkist is geweest.

D13c/Eext, gemeente Aa en Hunze

Tijdens het onderzoek in 1927 van hunebed D13 legde Van Giffen tevens de overblijfselen van twee nabijgelegen en reeds lang van hun stenen beroofde grafkamers bloot. Bij het onderzoek van de standplaats van D13c werden, nadat de verstoorde keldervulling was weggenomen, de sporen zichtbaar van negen kuilen waar draagstenen hadden gestaan. Uit de configuratie van deze kuilen kan echter geen eenduidige plattegrond worden afgeleid. Wel staat vast dat D13c een klein hunebed is geweest, vermoedelijk zelfs een steenkist, met globale afmetingen van maximaal ca. 3,5 x 1,5 m. Ter plekke werd ook nog een aantal scherven van TRB aardewerk verzameld.

D31a/Exloo (Zuiderveld), gemeente Borger-Odoorn

Dit hunebed werd voor het eerst beschreven en onderzocht in 1843. De onderzoekers stootten op een grafkelder bestaande uit twee draagstenen en een derde steen die zij als deksteen beschouwden. In juni 1847 werden de stenen nog op tekening vastgelegd door L.J.F. Janssen. Ergens tussen 1855 en 1875 moeten deze stenen zijn weggehaald. Daarna is de standplaats in de vergetelheid geraakt en pas in 1968 herontdekt door J.E. Musch.
Onderzoek in de zomer van 1993 onder leiding van J.N. Lanting heeft aan het licht gebracht dat hier een zeer kleine grafkelder heeft gelegen, bestaande uit drie grote draagstenen die in een diepe, min of meer ronde kuil (diameter ca. 4 m) waren geplaatst. De keldervloer bestond uit een dunne laag fijn steengruis. Op grond van de onderzoeksresultaten werd aanvankelijk aangenomen dat het hier een dolmen betrof, mogelijk zelfs – gezien zeer vroeg TRB-aardewerk – de oudste graftombe van ons land. Deze interpretatie is inmiddels verlaten en er wordt nu gedacht aan een steenkist. In de Bronstijd is de grafkelder nogmaals gebruikt als begraafplaats, getuige de ophoging en uitbreiding van de dekheuvel. Na het onderzoek is de heuvel gerestaureerd.

D32a/Odoorn (Westeres) gemeente Borger-Odoorn)

Van hunebed D32a werd in 1818 gemeld dat er toen al niet veel meer van over was dan drie grote keien. Blijkens een burgemeestersrapport is de grafkamer tussen 1854 en 1869 definitief gesloopt. Nadat het terrein in bouwland was omgezet, zijn ter plaatse nog meerdere malen vondsten verzameld. Uiteindelijk werd de standplaats in het voorjaar van 1983 door J.N. Lanting aan een onderzoek onderworpen. Dit leverde de plattegrond op van een hunebed dat uit acht paar zijstenen heeft bestaan, met een kamerlengte van ca. 12 m. In totaal werden de scherven van zo’n 165 TRB-potten geborgen. Deze kunnen worden toegewezen aan de horizonten 3 – 5.

D32c/Odoorn (Noorderveld), gemeente Borger-Odoorn

Getuige archieffoto’s sierde de heuvel waarin dit hunebed ooit schuilging, in 1929 nog het landschap. De stenen waren toen al afgevoerd, zodat het graf oogde als een holle kies. Van de standplaats restte eind 1984, toen deze onder leiding van J.N. Lanting werd onderzocht, niet veel meer dan een gruisplek in een akker. Onder deze gruisplek kwam nog een deel van de keldervloer te voorschijn. Van de standkuilen was weinig meer over dan wat spitsporen van de slopers. Hieruit kon worden afgeleid dat het hunebed waarschijnlijk uit vier paar zijstenen heeft bestaan. De afmetingen van de kamer bedroegen ca. 5 x 1,8-2 m. Het onderzoek leverde slechts een gering aantal vondsten op.

D32d/Odoorn (Noorderveld), gemeente Borger-Odoorn

Tot ver in de 20ste eeuw leidde dit hunebed, of wat er nog van over was, een tamelijk anoniem bestaan. Het werd pas voor het eerst als zodanig geregistreerd in 1943. In de jaren ’60 is de standplaats herontdekt door J.E. Musch en in het vroege voorjaar van 1984 door J.N. Lanting onderzocht. Onder de bouwvoor werd een gruislaag blootgelegd, waaronder de kuilen van drie paar zijstenen en twee sluitstenen te voorschijn kwamen. Op grond hiervan kon de globale omvang van de kamer worden bepaald (5,5 x 1,6-2 m). Van de vloer was niets meer over. Ook de plaats van de ingang kon niet meer worden vastgesteld.
Tijdens het onderzoek werd een groot aantal scherven geborgen. Samen met de oppervlaktevondsten konden deze worden herleid tot ongeveer 150 TRB-potten. Deze kunnen worden toegewezen aan de horizonten 2-5 en 7. Een voor de Westgroep unieke vondst wordt gevormd door een aardewerken dekseltje. Verder werd een aantal fragmenten van een Goudse pijp gevonden, die mogelijk aangeeft dat de sloop van het hunebed aan het begin van de 19de eeuw heeft plaatsgehad.

D33/Valthe (Valtherveld), gemeente Borger-Odoorn

Tot eind 1954 waren ten zuiden van de weg Valthe-Odoorn nog twee hunebedden te bezichtigen, waaronder hunebed D33. Van dit laatste hunebed was echter niet veel meer over dan een hoop losse stenen. Dit was voor Van Giffen aanleiding de resterende stenen te verwijderen en de standplaats aan een summier onderzoek te onderwerpen. Het onderzoek leidde tot de conclusie dat ook in de ondergrond vrijwel geen sporen bewaard waren gebleven die licht zouden kunnen werpen op het oorspronkelijke uiterlijk van het hunebed. Slechts enkele stenen van de keldervloer (lengte 7-7,5 m) bleken nog op hun plaats te liggen. Het onderzoek leverde nauwelijks vondstmateriaal op. De stenen van D33 zijn naderhand gebruikt bij de reconstructie van hunebed ‘De Papeloze Kerk’ bij Schoonoord (D49).

D35a/Valthe (Valtherspaan), gemeente Borger-Odoorn

Dit hunebed werd voor het eerst opgetekend in 1833 door C.J.C. Reuvens, directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Jaren later, in 1847, werd de grafkelder nog getekend en bestudeerd door L.J.F. Janssen. Volgens zijn informatie was het hunebed opgebouwd uit vijf paar zijstenen en bezat de kelder een lengte van 12 m en een breedte van 2,5 m. Toen Van Giffen in 1920 opmerkzaam werd gemaakt op dit hunebed was er niet veel meer van over dan een kratervormige heuvel met gruis en brokken steen. Volgens de vinder was het in de jaren ’70 van de 19de eeuw door keiendelvers gesloopt. In augustus 1920 stelde Van Giffen een onderzoek in. In het centrum van de heuvel trof hij alleen nog een ovale kuil aan waar de kelder had gelegen (afmetingen 7,1 x 2 m). Van de afzonderlijke standsporen was te weinig bewaard gebleven om hier conclusies uit te kunnen trekken.
Op grond van de door Van Giffen opgetekende standkuil rijst de vraag of dit wel hetzelfde hunebed is als door Janssen is opgetekend. Daarvoor lopen de maten teveel uiteen. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat D35a niet het hunebed is dat door Janssen is beschreven, moet er ook rekening mee worden gehouden dat de omvang van de standkuil foutief is geïnterpreteerd door Van Giffen.

D37a/Weerdinge (Valtherbos), gemeente Emmen

Dit hunebed is in 1837 opgegraven door J. Kouwens De Sille en sindsdien totaal vernield. Dit bleek uit het onderzoek waaraan Van Giffen het hunebedrestant in 1925 onderwierp. De eigenlijke grafkelder bleek zozeer vergraven dat zelfs geen plattegrond kon worden gereconstrueerd. Het moet echter een klein hunebed zijn geweest, met hooguit twee paar zijstenen, of mogelijk zelfs een steenkist. Van Giffen stelde voorts vast dat de nog aanwezige heuvel in twee keer was opgeworpen. De secundaire heuvel, die sterk was beschadigd, bestond uit zware plaggen. Om de opbouw van de heuvel nogmaals te bestuderen, vond er in 1993 onder leiding van J.N. Lanting een nader onderzoek plaats. Bij die gelegenheid werd het oorspronkelijke maaiveld onder de kernheuvel vastgelegd. Op basis hiervan kan worden gesteld dat de dekheuvel niet hoger is geweest dan 0,6 m.

D39a/Emmen (Valtherbos), gemeente Emmen

In oktober 1992 werd pal ten noordoosten van het bestaande hunebed D39 aan de hand van een ondiepe, ovale verlaging de standplaats van een geheel vernielde grafkelder ontdekt. Geconstateerd werd dat deze komvormige depressie min of meer samenvalt met een vergraven kuil, waarvan de afmetingen 5-5,5 x 2-2,5 m bedragen. In de vergraven grond werd veel steengruis aangetroffen. Een flauw heuveltje dat de kuil grotendeels omzoomt en veel stenen bevat, kan beschouwd worden als de bijbehorende heuvel. Gezien de geringe afmetingen van de vergraven kuil en de dekheuvel moet er rekening mee worden gehouden dat het hier om een steenkist gaat. TRB-vondsten werden tijdens het verkennend onderzoek niet gedaan.

D43a/Emmen (Emmer es), gemeente Emmen

Dit hunebed lag iets ten zuiden van het bekende langgraf D43. In 1819 werd het voor eerst beschreven, en wel door L. Willinge. In 1847 werd het hunebed getekend en bestudeerd door L.J.F. Janssen. Uit zijn mededelingen kunnen we opmaken dat het hunebed toen nog drie paar zijstenen, twee dekstenen en één sluitsteen bezat. Waarschijnlijk is D43a ergens tussen 1869 en 1871 gesloopt. Drie min of meer complete potten (waarvan er twee mogelijk uit perioden na het Neolithicum dateren) en enkele scherven, die in 1871 werden afgegeven bij het Drents Museum en waren ‘gevonden onder een klein, thans vernietigd, hunebed, op de es te Emmen’, houden hiermee verband. Het is niet ondenkbaar dat de stenen zijn gebruikt bij de restauratie van D43 in 1869.
Tijdens veldverkenningen werd de standplaats in 1968 door J.E. Musch herontdekt in een akker. Het duurde uiteindelijk tot november 1984 voordat deze plek aan een nader onderzoek werd onderworpen. Dit onderzoek, onder leiding van J.N. Lanting, leverde weinig aanvullende informatie op. Wel werden er ruim 5500 scherven geborgen. Bestudering van dit materiaal leidde uiteindelijk tot de reconstructie van 114 potten. Hiervan kunnen er in ieder geval 89 aan de TRB-cultuur worden toegewezen (horizonten 1-5).

D44a/Emmen (Zaalhof), gemeente Emmen

Dit hunebed werd voor het eerst vermeld in 1660 door J. Picardt, zonder dat hij overigens de resterende stenen in verband bracht met een hunebed, en vervolgens door C.J.C. Reuvens (1833) en L.J.F. Janssen (1847). Laatstgenoemde stelde door middel van een opgraving vast dat de twee nog aanwezige stenen, waarvan één met zes ‘boor’gaten, het restant vormden van een hunebed. Uit de onderzoeksresultaten kan worden afgeleid dat de keldervloer een lengte had van 5,5 m en een breedte van ca. 2 m. Voorts verzamelde Janssen een aantal scherven van TRB aardewerk.
De benaming Zaalhof houdt verband met een terrein dat omgeven was door een dubbele wal en twee droge grachten. Zowel deze structuur als de overblijfselen van D44a zijn inmiddels geheel verdwenen onder de bebouwing van Emmen

D52a/Diever – Wapse (Berkenheuvel/’Pottiesbargien’), gemeente

Het betreft hier de overblijfselen van een in 1735 met toestemming van de Staten van Drenthe volledig ontmanteld hunebed. Alleen de dekheuvel is nog goeddeels aanwezig. De resten van het hunebed werden in 1929 onderzocht door Van Giffen. Aan de hand van dit onderzoek kon worden vastgesteld dat hunebed D52a een relatief groot hunebed is geweest, met acht paar zijstenen. Aangezien er na de opgraving nog steeds grote hoeveelheden scherven en vuursteen werden verzameld (hoofdzakelijk uit de storthopen van Van Giffens onderzoek), vond in 1988 een nader onderzoek plaats onder leiding van J.N. Lanting. Dit onderzoek spitste zich toe op het zeven van de storthopen. Op deze wijze werden onder meer nog ca. 15.800 scherven verzameld. Na een kleinschalig onderzoek van de dekheuvel is deze met behulp van een hydraulische kraan gerestaureerd.

D54a/Spier (Zuidhaar), gemeente Midden-Drenthe

In 1921 trof W. Beyerinck op ruim 1 km ten zuidoosten van Spier in het centrum van een vergraven heuvel de resten van een vernield hunebed aan. Door de verborgen ligging in een heuvel is dit hunebed waarschijnlijk tot die tijd aan de aandacht van geschiedkundigen ontsnapt. De vinder verrichtte hier in 1921 en 1923 onderzoek, waarbij onder meer een groot aantal scherven van TRB-aardewerk werd geborgen. In 1949 werd het hunebedrestant geheel door Van Giffen opgegraven. Uit de summiere opgravingsdocumentatie kan worden afgeleid dat het hunebed een kamerlengte heeft gehad van iets meer dan 8 m en waarschijnlijk was opgebouwd uit vijf paar zijstenen. Sporen van een ingang werden niet vastgesteld. In totaal werden uit de kamervulling meer dan 4200 scherven van TRB-aardewerk verzameld (horizonten 2-7, en dan met name de laatste fasen). Tot het vondstmateriaal uit de kelder behoren ook fragmenten van in totaal 18 bakplaten.
Buiten de kelder werden ter hoogte van de (veronderstelde) ingang nog op vijf plaatsen vondsten gedaan, waarvan drie met zekerheid aan de trechterbekercultuur kunnen worden toegewezen. Het gaat om zowel nabijzettingen als andere rituele begravingen in de dekheuvel of aan de heuvelvoet.

D54b/Hooghalen (Boswachterij Hooghalen), gemeente Mid­den-Drenthe

Dit grotendeels van zijn stenen beroofde hunebed werd in 1946 ontdekt tijdens het planten van bomen op een diepgeploegd terrein. In 1947 werd het door Van Giffen onderzocht. Daarbij kwamen, behalve een aantal grote en kleinere stenen, de standkuilen van de verdwenen draagstenen te voorschijn en een groot deel van de uit keien opgebouwde keldervloer. Op grond van het onderzoek kan worden gesteld dat de kamer een lengte heeft gehad van ca. 6,1 m, en heeft bestaan uit vijf paar zijstenen. Over de kelderinhoud van D54b bestaat de nodige onduidelijkheid, omdat een deel van dit vondstmateriaal is samengevoegd met dat van het nabijgelegen vernielde hunebed D54c. De stand-plaats van het vernielde hunebed is in het terrein nog herkenbaar aan een diepe, ovale kuil waarin zich stenen bevinden.

D54c/Hooghalen (Boswachterij Hooghalen), gemeente Mid­den-Drenthe

Dit vernielde hunebed werd gelijktijdig met en onder dezelfde omstandigheden ontdekt als het nabijgelegen, eveneens ontmantelde hunebed D54b. In 1947 werd het, net als D54b, door Van Giffen onderzocht. Hierbij bleek dat D54c een vloerlengte heeft gehad van ca. 3,7 m, en naar alle waarschijnlijkheid heeft bestaan uit twee paar zijstenen. Aangezien het vondstmateriaal van D54c gedeeltelijk is samengevoegd met dat van D54b, bestaat de nodige onduidelijkheid over de precieze kelderinhoud. De plaats waar D54c heeft gestaan, is nog in het terrein zichtbaar als een ovale kuil met veel stenen, waaronder een enkele grotere veldkei.

F1/Rijs (Rijsterbos), gemeente Gaasterland-Sloten (Gaas­ter­lân-Sleat)

In maart 1849 werd tijdens het graven van ontwateringsgreppels nabij Rijs een grafkamer ontdekt en vrijwel meteen daarop vernield. Kort na de ontdekking begaf L.J.F. In maart 1849 werd tijdens het graven van ontwateringsgreppels nabij Rijs een grafkamer ontdekt en vrijwel meteen daarop vernield. Kort na de ontdekking begaf L.J.F. Janssen, conservator bij het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, zich naar Friesland om ter plaatse verdere informatie in te winnen. Uit de door hem verzamelde gegevens kan worden opgemaakt dat de kelder uit zeven zijstenen bestond en één sluitsteen. Dekstenen ontbraken. In 1922 onderwierp Van Giffen de standplaats aan een onderzoek. In het centrum van de nog aanwezige heuvel legde hij de sporen bloot van 11 12 standkuilen. In 1958 heeft hij de gevonden standsporen weer opgezocht en met behulp van veldsteencement plombes aan de oppervlakte aangeduid.
Nadere bestudering van de bestaande gegevens door J.N. Lanting, aangevuld met veldwerk in 1996, heeft echter aan het licht gebracht dat het hier niet om een hunebed gaat maar om een steenkist. De grotendeels ondergrondse aanleg van de grafkamer, de geringe afmetingen van de kelder (ca. 4,5 x 1,2 m), het ontbreken van dekstenen en het bescheiden formaat van de stenen hebben tot deze conclusie geleid. Het oudste aardewerk van F1 stamt uit horizont 1

G2/Glimmen (Glimmeres), gemeente Haren

In de herfst van 1966 ontdekte J.E. Musch op de Glimmeres concentraties van granietgruis met TRB-scherven en vuursteen, waarin hij de standplaatsen van twee totaal vernielde hunebedden herkende. Nadat hier nog enkele malen vondsten waren verzameld, besloot het BAI tot een nader onderzoek onder leiding van J.N. Lanting. Het onderzoek van de meest noordelijke standplaats, G2, vond plaats in het najaar van 1969 en het voorjaar van 1970. Direct onder de bouwvoor tekende het vernielde hunebed zich af als een donker gekleurde gruisplek. Onder deze gruislaag kwam een gedeelte van de keldervloer te voorschijn en werden de standplaatsen van de verschillende draagstenen zichtbaar. Hieruit kan worden afgeleid dat hunebed G2 uit zeven paar zijstenen heeft bestaan en een vloerlengte had van iets meer dan 11 m. Ook werden aanwijzingen gevonden voor een ingangspartij en kransstenen.
Bestudering van het materiaal dat in de kelder werd ontdekt, leidde tot de identificatie van zo’n 400 TRB potten. Dit aardewerk behoort tot de horizonten 2-5 en 7. Buiten de kelder werden op vijf plaatsen TRB-potten aangetroffen. Deze kunnen in verband worden gebracht met begravingen en andere rituele handelingen. Tot het vondstmateriaal behoort ook een scherf van een middeleeuwse kogelpot. Op basis hiervan wordt de sloop van G2 gedateerd in de 10de-11de eeuw.

G3/Glimmen (Glimmeres), gemeente Haren

Dit vernielde hunebed werd ontdekt door J.E. Musch aan de hand van oppervlaktevondsten (zie G2). Bij het archeologisch onderzoek, dat in 1971 werd uitgevoerd door J.N. Lanting, tekende zich onder de bouwvoor een onregelmatig rechthoekige gruisplek af. Hieronder legden de opgravers de kuilen bloot van twee paar zijstenen en een sluitsteen. Aan het andere uiteinde kwam een grote kuil te voorschijn. Hierin bleek de tweede sluitsteen te liggen. Op grond van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat hier, voor zover bekend, het kortste hunebed van ons land heeft gestaan, met een vloerlengte van ca. 3 m. Waar de ingang heeft gezeten, kon niet worden vastgesteld.
In de kelder werden onder meer de scherven aangetroffen van 33 TRB-potten. Tot het vondstmateriaal behoren ook scherven van een zogeheten oortjesfles. Deze bijzondere kruik is tot op heden de enige die we uit de Westgroep kennen en kan gerekend worden tot het oudste TRB aardewerk van ons land. Buiten de kelder, maar nog binnen de voet van de voormalige dekheuvel, werd nog een keramiekdepot blootgelegd. Verspreid in de gestoorde keldervulling is ook een aantal scherven van een middeleeuwse kogelpot gevonden, op grond waarvan de sloop van het hunebed in de 10de 11de eeuw geplaatst wordt.

G4/Onnen (Onneres), gemeente Haren

De plaats van dit (vermoedelijke) hunebed werd eind 1966 ontdekt, alweer door J.E. Musch en alweer dankzij een steengruisplek in een akker. De vinder liet zich bij zijn speurwerk onder meer leiden door de vermelding van Ludolph Smids uit 1711 van een steenhoop te Onnen ‘van gemeen­en trant’ en het locale toponiem ‘Steenbergerveen’. In 2011 en 2012 is er actief gezocht naar de locatie van dit monument maar tot op heden is deze nog niet vastgesteld.

  Zoektocht naar verdwenen hunebed G4 nog niet ten einde

Op instigatie van de Groninger provinciaal archeoloog Henny Groenendijk is in 2011 in Onnen een begin gemaakt met een actieve zoektocht naar de plek waar het vermoede hunebed G4 gestaan heeft. De zoektocht begon met grondradaronderzoek, uitgevoerd door de firma Medusa. Op basis van het radaronderzoek is in 2012 een locatie uitgekozen die zeer veelbelovend leek om door gravend onderzoek nader bekeken te worden. In 2012 heeft die kleinschalige opgraving plaatsgevonden door archeologen van archeologisch adviesbureau RAAP, vestiging Noord. De hoop om een gedeelte van de granietgruisvloer en enkele extractiegaten te vinden bleek ijdel. Er werd niets aangetroffen dat op de aanwezigheid van een hunebed op deze plaats wijst. De zoektocht wordt niet gestaakt maar er zal verder worden gezocht in de nadere omgeving. Lees het verslag van Esther Scheele hieronder.

  De zoektocht naar G4

Hunebedden zijn één van de weinige categorieën archeologische monumenten die ook tegenwoordig nog met het blote oog in het Nederlandse landschap te herkennen zijn. Door hun herkenbaarheid spreken ze al eeuwen tot de verbeelding der mensen. Tot in de 17e eeuw geloofde men dat deze ‘steenhopen’ alleen door reuzen konden zijn opgericht (fig. 1). Tegenwoordig is bekend dat deze bouwwerken de restanten zijn van prehistorische grafmonumenten. Nederland telt nog 53 hunebed ruïnes op hun oorspronkelijke locatie, waarvan er één in de provincie Groningen staat en de andere 52 in de provincie Drenthe. Daarnaast zijn er nog 27 locaties bekend waar ooit een hunebed gestaan heeft, maar dat nu niet meer op deze plek te zien is, hiervan liggen er vier in Groningen, twintig in Drenthe, twee in Overijssel en één in Friesland.

picardt-300x180

fig. 1: Picardt’s voorstelling over het ontstaan van de hunebedden

  Vooronderzoek

In de provincie Groningen is nog één bestaand hunebed te vinden, dit monument met de naam ‘de Steenbarg’ ligt bij Noordlaren. Daarnaast zijn er vijf verdwenen hunebedden bekend, de locaties van de hunebedden G2 en G3 liggen op de Glimmer es in Haren en G5 werd in 1982 bij opgravingen door het Groninger Instituut voor Archeologie onder de wierde Heveskesklooster in Oosterhoek ontdekt. Dit hunebed is afgebroken en is tegenwoordig als reconstructie te zien in het museum in Delfzijl. De eveneens uit Heveskesklooster afkomstige steenkist met de aanduiding G6 is gereconstrueerd in het Hunebedcentrum in Borger. Het zesde Groninger hunebed – G4 – wordt wel in de literatuur vermeld, maar de daadwerkelijke locatie staat nog steeds niet onomstotelijk vast.

In 1966 werd de vermoedelijke locatie van G4 ontdekt door J.E. Musch, op basis van de de eveneens in de nabijheid liggende (inmiddels geverifieerde) resten van G2 en G3 (onderzocht in 1969-1971). In combinatie met een vermelding van Ludolf Smid uit 1711 van ‘eene steenhoop van gemeenen trant’ bij Onnen (fig. 2) en aanduidingen als ‘Steenakker’ voor de directe omgeving van het hunebed en ‘Steenbergen’ en ‘Steenbergerveen’ (een nabijgelegen pingo veentje) in de nabijheid, leidden tot de ontdekking van een granietgruisplek op het meest in aanmerking komende terrein op de Onner es. Na het ploegen van het veld in het voorjaar van 1968 tekende de granietgruisplek zich nog duidelijker af en trof Musch ook vuurstenen artefacten aan. De collectie door hem getekende artefacten omvat onder andere een transversale pijlspits, een splinter van een vuurstenen bijl en diverse scherven uit verschillende fasen van deTRB-cultuur. Hierdoor is het waarschijnlijker dat het op deze locatie gaat om een hunebed met een grotere tijdsdiepte dan om een steenkist met een korte gebruiksperiode. Bij het onderzoek aan de locatie van de hunebedden G2 en G3, werd in beide hunebedden Middeleeuws kogelpot aardewerk aangetroffen. Op basis van het type kon dit aardewerk gedateerd worden op 1000-1100 AD en staat hoogstwaarschijnlijk in verbinding met het ontmantelen der beide hunebedden. De in de stad Groningen staande St. Walburgkerk is omstreeks 1050 gebouwd en in de vloer van het kerkschip bevinden zich vele veldkeien van diverse formaten, onder andere ook stenen die groot genoeg zijn om als deksteen van een hunebed dienst te doen. Het is goed mogelijk dat G4 hetzelfde lot heeft ondergaan als de andere beide grafmonumenten.

De module ‘Op zoek naar de Trechterbekercultuur’ die onderdeel is van het project Land der Entdeckungen bood de kans de hypotheses over de mogelijke locatie van dit hunebed in het veld te testen. Het onderzoek kwam in het rollen doordat de huidige grondgebruiker en één van de eigenaren van de in aanmerking komende percelen nieuwsgierig waren naar het verdwenen hunebed dat zich op hun terrein zou moeten bevinden. Hun enthousiasme voor een mogelijk onderzoek gaf de aanzet tot een project onder leiding van de provinciaal archeoloog van Groningen, H. Groenendijk. In overleg met de grondeigenaars en gebruiker werd besloten eerst een onderzoek door middel van grondradar te laten uitvoeren om vast te stellen of er zich daadwerkelijk iets in de ondergrond bevindt dat in verband zou kunnen staan met een vroeger hunebed op deze locatie.

onnen-smit-632x1024

Fig. 2: De vermelding van ‘eene steenhoop van gemeenen trant’ bij Onnen in het boek van Smids uit 1711

  Onderzoek met grondradar 2011

Op 4 oktober 2011 volgt een onderzoek met de grondradar door de firma Medusa, de opdracht voor het onderzoek luidt: Verifiëren of het vermoeden van de aanwezigheid van een verdwenen hunebed juist is door middel van grondradar onderzoek. Bij het onderzoek is niet alleen de directe standplaats van het hunebed onderzocht, maar zijn ook ruim om deze locatie heen metingen verricht om een goede indruk te kunnen krijgen van de opbouw van de bodem en verstoringen van de natuurlijke opbouw beter in kaart te kunnen brengen. Hierbij moet men denken aan extractiegaten van de draagstenen, concentraties veldkeien die de vloer van de grafkamer hebben gevormd en andere bodemverstorende elementen die een indicatie kunnen zijn voor de vroegere aanwezigheid van een hunebed.

Een grondradar systeem bestaat uit een combinatie van een elektromagnetische zender en ontvanger. Bij het meten wordt een hoogfrequente radiopuls door de zendspoel uitgezonden en gereflecteerd door bepaalde lagen of objecten in de bodem. Gemeten wordt in parallelle lijnen die aan het einde een soort weefwerk vormen waarmee dan de hele oppervlakte van het onderzoeksgebied wordt afgedekt.

De metingen leveren als resultaat een beeld op van een ca. 10 bij 11 grote kuil met een tamelijk vierkante vorm. Deze verdieping in de natuurlijk bodem kan worden geïnterpreteerd als extractiekuil van hunebedconstructie. Ook tonen de metingen extra ‘structuren’ aan boven en onder de vermoedelijke extractiekuil. Hier kan sprake zijn van restanten van de vroegere hunebedvloer, die vaak werd geplaveid met kleinere veldkeien.

Op basis van deze gegevens is een tweede reeks meer gedetailleerde metingen uitgevoerd, die zich concentreert op de plek van de vermoedelijke extractiekuil. Deze tweede meting toont aan dat de kuil iets groter is dan initieel gedacht, ca. 14x18m en naar het midden toe concentrisch geleidelijk dieper wordt. Ook komt uit deze meting naar voren dat er zich op ca. 20cm boven de bodem in het centrale gedeelte van de extractiekuil nog een tweede laag bevindt, mogelijk een vloertje. Naast deze tweede laag zijn ook losse objecten / laagjes waarneembaar die zich boven het mogelijke vloertje bevinden.

  Gravend onderzoek Onnen 2012

Op basis van de gegevens uit het radaronderzoek is besloten op de plaats van de mogelijke extractiekuil een opgraving uit te voeren om te bekijken wat de radarsurvey hier nu daadwerkelijk heeft opgepikt. Iets meer dan een jaar na het uitvoeren van de radarmetingen wordt er op 22 oktober 2012 een proefsleuf getrokken, beginnend aan de NO-zijde van de locatie. Er tekent zich een beeld af van een bouwvoor op geel zand en een profiel dat het tegenovergestelde van dat van een heuvel is. In lichtgrijs loodzand tekenen zich driehoekige schopsteken met een donkergrijze vulling af (fig. 4). Deze schopsteken zijn vermoedelijk toe te schrijven aan middeleeuwse activiteiten in en om de (toen reeds opgevulde) kuil.

Fig. 3: Schopsteken in de opvulling van de kuil

Ook zijn er esgreppels aanwezig die op korte afstand van elkaar verlopen en haaks op de testput staan, één van deze greppels loopt door de vermoedde extractiekuil. Een mogelijke verklaring voor de functie van deze greppels is dat onderdeel zijn van pogingen tot grondverbetering op perceel. Ze zijn in elk geval jonger dan de ontginning van het perceel, maar niet zo jong dat ze in de locale herinnering nog present zijn.

De rand van de op de radarmeting geziene kuil is in de NW wand van de proefput het beste zichtbaar maar omdat de gelaagdheid niet duidelijk laat zien waarmee men hier nu te maken heeft, wordt het profiel bij deze wand verdiept. Hierdoor tekent zich geleidelijk een beeld af van wat er bij de radarsurvey gemeten is: in een natuurlijke depressie heeft zich een zware podsolbodem ontwikkeld – dit is een bodemtype dat op de schrale dekzandgronden in Noord-West Europa vaak voorkomt. Bij dit bodemvormingsproces ontstaat vaak een ondoordringbare bodemlaag, in dit geval heeft deze bodemlaag de reflecties opgeleverd die gelezen zijn als ‘bodem extractiekuil’. In de vulling van de depressie is geen overtuigende houtskool aangetroffen, wel is uit in secundaire opvulling een verbrand vuurstenen werktuig gevonden.

  Conclusies

Bij de door middel van grondradar opgespoorde depressie gaat het niet om de extractiekuil van een hunebed maar om een opgevulde natuurlijke depressie in het dekzand. De stenigheid van de opvulling – de natuurlijke bodem is hier geheel steenloos – in combinatie met de vondsten van J.E. Musch en de in de omgeving voorkomende namen ‘Steenbergerveen’ en ‘Steenakker’ duiden wel op de aanwezigheid van een gesloopt hunebed in de nabijheid van de in deze campagne onderzochte locatie. Hoe de opvulling van de depressie tot stand gekomen is kan niet met zekerheid worden vastgesteld, het aanwezige zand kan ingestoven zijn, maar de eveneens aangetroffen granietbrokjes en vuursteenartefacten wijzen op een antropogene invloed. De opvulling kan zowel bij de bouw als ten tijde van het slopen van het hunebed hebben plaatsgevonden, in beide gevallen is de aanwezigheid van granietbrokjes te verwachten, deze kunnen echter ook het gevolg zijn van andere menselijke activiteiten, zoals bijvoorbeeld het verpulveren van graniet ten behoeve van aardewerk productie. Middeleeuws ingrijpen in de structuur van
de grond wordt vermoed op basis van de aanwezigheid van schopsteken in de secundaire vulling van de depressie (fig. 4) en het aantreffen van een kogelpotrandscherf in de bouwvoor. De zoektocht naar G4 is dus nog niet afgesloten, een hernieuwde poging tot ontknoping van dit raadsel zou begonnen kunnen worden met het preciseren van de vindplaatsopgave door J.E.Musch, het verifiëren van het toponiem ‘Steenakker’ en een inspectie luchtfoto’s vanaf 1966.

tekst: Esther Scheele

G5/Heveskes (Heveskesklooster), gemeente Delfzijl

Dit hunebed werd in 1982 bij toeval ontdekt tijdens het onderzoek van de terp Heveskesklooster. Het steengraf bevond zich in de ondergrond van de terp, afgedekt door veen en klei. De grafkelder en de zandondergrond in de directe omgeving werden in 1983 en de jaren erop onderzocht door J.N. Lanting. De opgravers troffen op de zandbodem een deels vernield hunebed aan met zeven draagstenen, omsloten door een lage heuvel waar de draagstenen bovenuit staken. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het hunebed maar één sluitsteen bezat, terwijl de opening zich bevond aan de andere korte zijde. Op grond hiervan kan het hunebed als een ‘rechthoekige dolmen’ worden gekarakteriseerd. Van de kelderinhoud – het oudste aardewerk stamt uit horizont 1 – was weinig meer over, terwijl ook het hunebed zelf beschadigd was. Deze vernielingen moeten hebben plaatsgehad vóór 2200 v.Chr., toen hier als gevolg van het stijgende grondwater veen ging groeien. In 1987 zijn de stenen verwijderd om plaats te maken voor een uitbreiding van het aangrenzende industrieterrein. In gereconstrueerde vorm kan G5 worden bezichtigd in Muzeeaquarium in Delfzijl.

G6/Heveskes (Heveskesklooster), gemeente Delfzijl

In hetzelfde jaar dat hunebed G5 werd opgegraven, werd op korte afstand daarvan ook nog een steenkist van de Trechterbekercultuur vrijgelegd. De steenkist is nooit genummerd, maar wij duiden hem hier aan als G6. De steenkist was net als het nabijgelegen hunebed deels gesloopt. Net als G5 kon G6 niet in situ blijven maar is het graf gelicht en elders gereconstrueerd. De Groningse steenkist is nu te zien in het Hunebedcentrum in Borger. G6 is net als G5 nog niet gepubliceerd.

O1/Steenwijkerwold (De Eese), gemeente Steenwijk

In de zomer van 1918 onderzocht Van Giffen op het landgoed De Eese de overblijfselen van een geheel vernield hunebed. Getuige een tekening van de befaamde natuuronderzoeker Petrus Camper bevond het zich in 1781 nog in redelijke staat. In de eerste helft van de 19de eeuw, waarschijnlijk in de jaren ’40, zijn de resterende stenen weggehaald. Uit Van Giffens onderzoek is gebleken dat hunebed O1 grondig is gesloopt. Zo waren alleen van het westelijke deel van het hunebed de sporen van de standkuilen bewaard gebleven. Hierdoor bestaat er ook enige onduidelijkheid omtrent de plattegrond van de grafkamer. Op grond van verschillende overwegingen is het echter aannemelijk dat hunebed O1 was opgebouwd uit zes, eventueel zeven paar zijstenen. De kamerlengte bedroeg naar schatting 14-15 m. Tijdens een nader onderzoek, uitgevoerd in 1985 door J.N. Lanting, werd een steenconfiguratie blootgelegd die mogelijk verband houdt met een (eveneens gesloopte) steenkrans. Het geborgen TRB aardewerk beslaat in ieder geval de horizonten 3, 4 en 5. Van de oorspronkelijke dekheuvel zijn nog delen bewaard gebleven.

O2/Mander (Manderstreu), gemeente Tubbergen

In 1957, kort na de ontdekking, onderzocht C.C.J.W. Hijszeler, conservator van het Rijksmuseum Twenthe/Oudheidkamer Twente, bij Mander de restanten van een geheel gesloopt hunebed. Daarbij werd in de ondergrond een aantal sporen opgetekend. Het onderzoek leverde tevens een grote hoeveelheid scherven op, afkomstig van in totaal meer dan 300 potten. Dit aardewerk stamt uit de horizonten 3-5.
De standplaats werd in oktober 1995 nogmaals onderzocht door A.D. Verlinde (ROB). Geconstateerd werd dat er nog maar weinig sporen van het hunebed bewaard waren gebleven, namelijk een drietal kuilen waarin draagstenen hebben gestaan. Uit dit onderzoek en de opgravingsgegevens van Hijszeler kan worden afgeleid dat de kelder (buitenwerkse) afmetingen heeft gehad van ca. 13 x 5 m, en waarschijnlijk was opgebouwd uit zes paar zijstenen. Op grond van beide onderzoeken kon ook de globale omvang van het heuvellichaam worden bepaald. Deze heuvel is inmiddels op exact dezelfde plaats weer aangebracht. Verrassend was de vondst van een drietal aardewerkbijzettingen ten zuiden van de ingang en een vlakgravenveldje ten zuidoosten van het hunebed, bestaande uit ten minste zes TRB-graven. Het aardewerk uit deze graven wijst erop dat het hunebed en de vlakgraven min of meer gelijktijdig in gebruik waren.